Als ik naar het werk rijd luister ik bijna altijd naar Radio1. In 2007 hoorde iedere dinsdag de gesproken column van Jassim al-Attar. Om een of andere reden is onderstaande column bij mij blijven hangen. Geen idee of het stuk nu nog hout snijdt voor anderen... Voor mij werkt het op een of andere manier nog steeds.
De 29-jarige Irakees Jassim al-Attar verzorgt vanuit Bagdad een weblog voor de NOS. Wekelijks bericht hij over het leven in de meest gewelddadige stad ter wereld.
Hoe houd je je staande onder de constante dreiging van aanslagen? Op een plek waar je religieuze identiteit een doodvonnis kan betekenen? In een land dat uiteen dreigt te vallen is Jassim een echte Irakees. Hij heeft Koerdisch, Turkmeens, soennitisch en sjiitisch bloed.
Iedere dinsdagochtend wordt op het Radio 1-Journaal tussen 08.00 en 09.00 uur een gesproken versie van de weblog uitgezonden.
Dagdromen over het verleden.
Bagdad, 19 november - Afgelopen woensdag reed ik naar mijn werk toen een opgeblazen auto mijn weg blokkeerde. Om veiligheidsredenen had zowel de politie als het leger de weg afgezet. Ik moest wachten, maar voelde me in die gewelddadige buurt niet op mijn gemak, dus ben ik maar een blokje om gegaan in afwachting van het vrijgeven van die straat.
Ik reed wat rond om de tijd te doden en plotseling zag ik een straat waar ik al meer dan twee jaar niet meer was geweest.
Ik zag het hek van de Bagdad-universiteit, waar ik heb gestudeerd. Ik voelde me overweldigd, alle herinneringen aan die tijd kwamen terug, de collegezalen, mijn collega's, de vijver in het midden van de campus. Ik werd door een onzichtbare hand naar mijn verleden geduwd. En ik had geen enkele neiging om me daar tegen te verzetten.
De man bij de controlepost van de universiteit vroeg me wat ik kwam doen, want vreemden laten ze niet toe. Ik had geluk, want een oude vriend van mij werkt er nog in de boekhouding. De bewaker belde hem op en even later kon ik naar binnen. Terug op mijn universiteit. Wat een fantastisch gevoel.
Ik was weer terug in de jaren negentig. Ik was 22. Er was geen oorlog, geen invasie. Ook geen milities, geen sectarische moorden. Ik was aan het dagdromen.
Mijn oude vriend heette me welkom met een kop thee. We begonnen te praten over de oude dagen. Hoe leuk die waren, hoe veilig het toen in de stad was. Dat we allemaal broeders waren en niet vooral sji'iet, soenniet, Koerd of Turkmeen. Nee, we waren allemaal Irakezen.
Hij liet me een foto zien die in zijn kantoor hing. Een foto van ons laatste studiejaar. Een fraaie foto van een groep mensen die het hele land Irak vertegenwoordigden. Zowel het noorden als het zuiden, het westen als het oosten, we hadden allemaal het gevoel dat we deel uitmaakten van dat ene land, dat we het land wilden opbouwen, dat we een nieuwe generatie vormden, de nieuwe mannen van Irak.
Ik vertrok met tranen in mijn ogen en reed naar mijn werk. Maar de weg was nog steeds versperd en via enkele smalle straten liep ik vast. Daar zag ik een groepje kinderen spelen. Ik besloot om even naar ze te kijken. Ze speelden 'terroristje'. Enkele kinderen hadden een nepwapen en die hadden ze op het hoofd van een ander kind gericht. Ga bidden, zeiden ze en toen schoten ze hem zogenaamd dood. Ze juichten en waren opgewonden.
Ik was geschokt. Ik voetbalde vroeger. Waar zal dit toe leiden?
Ik reed naar huis, want mijn werk kon ik toch niet bereiken. Op de bank lag ik na te denken over wat ik die dag had gezien, het verleden en het heden. Ik moet in slaap zijn gevallen. "Wakker worden, we hebben stroom". Met die woorden van mijn vrouw werd ik gewekt. God, alsjeblieft geef me een streepje licht in deze duisternis.
Laatste reacties